maandag 25 april 2016

Een andere economie is mogelijk !



Onderstaand artikel is ook gepubliceerd op de website vrijeschoolbeweging.nl en de weblog Antroposofie in de pers en in het kerstnummer van Vrije Opvoedkunst 2016.


http://www.nearchus.nl/wp-content/uploads/2016/03/voorplat_economie.jpg

 

Ter gelegenheid van de nieuwe uitgave van de “Ökonomischer Kurs” van Rudolf Steiner  die nu verschenen is onder de titel ” Economie. De wereld als één economie” heeft uitgever en publicist John Hogervorst dit voorjaar een twintigtal bijeenkomsten georganiseerd door heel Nederland.
Op 19 april verzorgde hij in dat kader ook een lezing op het Novaliscollege in Eindhoven. In aanwezigheid van zo’n 40 a 50 belangstellenden heeft John een uiteenzetting gegeven van de visie van Rudolf Steiner op de economie, zoals die ook in de voordrachten en vragenbeantwoording in het boek naar voren komt. Steiner kiest voor een fenomenologische aanpak van economische verschijnselen  omdat de economie volledig het resultaat is van menselijk handelen. In de economie gaat het om de productie en verspreiding van goederen en diensten voor de hele mensheid. Hoe we dat doen en met welke grondstoffen en hulpmiddelen is ook mensenwerk.
John Hogervorst (midden) met gastheer Henk Verboom (rechts)

John maakt een terugblik om op een concrete en objectieve manier een product zoals een pot pindakaas te vervolgen vanaf je bord tijdens het ontbijt bij de consument tot en met de winning van grondstoffen (noten) in de natuur door boeren ergens ver weg op aarde. Alles overziende realiseer je je dan pas hoeveel mensen en middelen er wereldwijd bij betrokken zijn, om ervoor te zorgen dat dagelijks in onze behoeften wordt voorzien. Het is daadwerkelijk een wereldomvattend proces  en we kunnen in onze tijd daarom ook terecht spreken van een wereldeconomie. Op een andere manier zou je kunnen zeggen dat je tegenwoordig in de economie altijd voor een ander werkt.  Dat schept verbindingen en is dus een sociale bezigheid, we zijn daarin ook solidair met elkaar  Dat moet dus ook het uitgangspunt zijn in de economie. Hoe organiseren we het economische proces zodat we niemand op aarde tekort doen en zonder de natuur en de aarde te schaden? Het doel is dus een duurzame en solidaire economie te realiseren, voor de mensen nu én toekomstige generaties. De moderne visies zoals een circulaire economie of Cradle tot Cradle benadering streven hetzelfde na.  
Vrije schoolgemeenschap voor Vwo, Havo en Vmbo

Rudolf Steiner constateerde ook al in zijn tijd (rond 1920) dat het kapitalistische systeem al grote nadelen had. Hij zag al hoe in de natuur roofbouw gepleegd werd op landbouwgrond, bossen en mijnen ter verkrijging van grondstoffen en hoe mensen onder erbarmelijke arbeidsomstandigheden ingezet werden in fabrieken en bedrijven.  In de geest van zijn tijd pleitte hij ook voor een soort socialistische benadering van de economie waarbij de grond en kapitaalgoederen  niet in privébezit mochten zijn maar geneutraliseerd en in handen van de gemeenschap of samenleving. Hij was geen voorstander van staatseigendom zoals de marxisten en communisten. Het huidige eigendomsrecht is eigenlijk een heel oud (en achterhaald?) principe dat we te danken hebben aan de Romeinse tijd zo’n tweeduizend jaar geleden. Daar ontstond in het recht het eigenbelang en particulier eigendom. Dit rechtsprincipe is aan vernieuwing onderhevig en moet aangepast worden aan de huidige nieuwe tijd. Wel particulier bezit van prive-spullen, maar niet meer van collectieve goederen zoals landbouwgrond ,  bossen en weiden en kapitaalgoederen. Zo kenden we in Europa lange tijd de Commons als gemeenschappelijke weidegronden, waar de gemeenschap zorgde voor beheer en onderhoud. Wetenschapper Elinor Ostrom kreeg in 2009 als eerste vrouw de Nobelprijs voor de economie voor haar grondige studie van het beheer van deze Commons.    
Grote hal Novaliscollege met belangstellenden

Anders dan in de huidige economie waar het uitgangspunt de concurrentie is, pleitte Steiner juist voor samenwerking en overleg tussen alle economische partijen. Concurrentie kan ertoe leiden dat het recht van de grootste en sterkste gaat overheersen. Je kunt minder draagkrachtige bedrijven het faillissement in duwen of door de mogelijkheid van een financiële overname kun je je opponenten overnemen en zo onschadelijk maken. Uiteindelijk zien we in veel branches en sectoren een beperkt aantal ondernemingen die door hun omvang en macht de markten/consumenten domineren. In wat Steiner een associatieve economie noemde moet er gelegenheid zijn om in verschillende overlegorganen de belangen en kennis van producenten, handelaren en consumenten samen te brengen, af te wegen en besluiten te nemen over kwaliteit , hoeveelheden en prijzen van producten. John geeft als voorbeeld het huidige Japan waar als zo’n 25 procent van de producten gemaakt wordt in opdracht van consumentenkringen. Dat is dus vraag- en juist niet aanbod-gestuurd. Onze westerse economie is juist sterk aanbod-gestuurd en wordt door middel van enorme reclame- en marketinginspanningen  geprobeerd consumenten te verleiden deze producten aan te schaffen. Bij een mismatch tussen vraag en aanbod leidt dat echter tot grote verspillingen.  In de economie gaat het om schaarse goederen en dus is zorgvuldigheid  (lees efficiency en effectiviteit) noodzakelijk.  Bij vraag-gestuurde productie is dat veel vanzelfsprekender.

Overleg en uitwisseling in grote diverse groepen mensen blijkt wel degelijk interessante resultaten op te leveren. In het boek The Wisdom of Crowds wordt aangetoond dat een heterogene groep tot betere oordelen en schattingen komt dan een homogene groep deskundigen. De Amerikaanse economisch journalist en onderzoeker James Surowiecki heeft daar vele voorbeelden van beschreven. 
 Voor wie zou kunnen denken dat een overlegeconomie ouderwets en achterhaald  is, gezien het falen van alle historische communistische voorbeelden, kan toch verwezen worden naar twee moderne wetenschappers Michael Albert en Robin Hahnel, die in hun theorie van Parecon (samentrekking van participatieve economie) ook uitgaan van economische overlegkringen.  
In de Nederlandse biologische dynamische Landbouw en dankzij de inspanningen van o.a. Odin/Estafette worden ook voedingsmiddelen geleverd via zogenaamde groente-abonnementen. Daarbij kunnen consumenten vooraf aangeven wat hun behoefte aan etenswaar zal zijn. Een toezegging vooraf om bepaalde producten in de nabije toekomst af te gaan nemen.  

Een ander belangrijk punt is de totstandkoming van prijzen en de zoektocht naar de juiste en transparante prijs. In de definitie van Steiner( 29 juli 1922): "Een prijs is de juiste prijs wanneer iemand voor een product dat hij vervaardigd heeft, zoveel als tegenwaarde ontvangt dat hij al zijn behoeften (en die van zijn naasten) kan bevredigen totdat hij opnieuw een product zal hebben vervaardigd". 
Dus niet terugkijkend hoelang het heeft geduurd en kijkend naar alle productiekosten, maar juist vooruit kijkend en naar alle behoeften van iemand en zijn familie gedurende een bepaalde tijd.
Deze definitie is echter niet erg praktisch als we bedenken hoeveel mensen en middelen bij ieder product betrokken zijn. Je kunt echter geen scherpe grenzen trekken en dus worden het oneindige rekensommetjes. De juiste prijs is daarmee feitelijk een onmogelijke opgave. Openheid en transparantie met betrekking tot prijzen is echter wel haalbaar en wenselijk. Daar moeten en kunnen we mee beginnen zodat alle economische partijen voortdurend streven naar verdere efficiency (minimale verspilling) en effectiviteit (schaalvergroting en innovatie) zonder afbreuk te doen aan mens en natuur.  

Na een korte koffiepauze was er gelegenheid om vragen te stellen . Het aanwezige publiek maakte daar dankbaar gebruik van met vragen als:
“Is de mensheid als het gaat om bewustzijnsontwikkeling al toe aan een associatieve economie”?

“Hoe berekent John als uitgever (Nearchus) zelf de juiste prijs van een nieuw uitgegeven boek”?
“Wat vind je van het nieuwe boek van Joris Luyendijk en het boek "Kapitaal in de 21e eeuw" van Thomas Piketty”?  

 “Is er in de visie van Steiner ook een belangrijke plaats voor regionale en lokale producten”?
Dankzij John werd het een boeiende avond, die de mensen hopelijk weer wat houvast heeft gegeven.

  


maandag 14 maart 2016

Economie. De wereld als één economie.


Studiegroepje Wereldeconomie.
Eind jaren 90 van de vorige eeuw maakte ik deel uit van een kleine groepje dat onder leiding van economieleraar Kim Lapré regelmatig en nauwgezet de economische voordrachten van R.Steiner bestudeerden. Bij toerbeurt gaf een groepslid na bestudering een inleiding van een hoofdstuk  waarna we de bijzonderheden eruit lichtten en met elkaar bespraken. Dat hebben we langere tijd gedaan en achteraf realiseerde ik me pas hoe bijzonder dat was.
Op een doordeweekse dag vanaf acht uur s’ avonds in de lerarenkamer van de Vrije School Brabant aan de Woenselsestraat in Eindhoven, het heiligdom van iedere vrije school,  met een blackbord in de buurt om schema’s te maken of kringlopen te tekenen. Dat een leerkracht dit er zomaar even bij doet, is niet vanzelfsprekend. Het groepje bestond uit Jan Bok, een economieleerkracht van het Luzac college,  verder Aloïs Soppe een economie-docent van de Erasmusuniversiteit,  daarnaast een zelfstandig ondernemer die een eigen drukkerij had (maar waarvan mij de naam is ontschoten) en mijn persoon als universitair docent van de faculteit Bedrijfskunde van de Erasmusuniversiteit te Rotterdam. De deelnemers waren ouders met kinderen op de Vrije School Brabant (VSB). Kim Lapré heeft zelf economie gestudeerd in Rotterdam en heeft later ook voor de vrije middelbare school in Rotterdam gewerkt en bewaarde er kennelijk goede herinneringen aan. In het kleine gezelschap van voornamelijk economen, was ik als bedrijfskundige het minst theoretisch onderlegd op het gebied van de economie. Kim Lapré overleed op 12 oktober 2017 op 81-jarige leeftijd.

Tijdens mijn studie aan de Technische Hogeschool in Eindhoven werd het vak economie gegeven door een vakgroep die deel uitmaakte van Studium Generale  en getentamineerd door middel van volledig geautomatiseerde toetsen.  Je moest je op gezette tijden melden bij een toets lokaal en kreeg dan een batterij multiplechoice vragen. Het ingevulde toets formulier werd na afloop automatisch nagekeken en je kreeg meteen het eindcijfer. In mijn geval was dat meermaals een onvoldoende, omdat ik kennelijk vaak meer interpretaties of alternatieve mogelijkheden zag . Voor mij was het vak economie zeker geen zwart/wit wetenschap, waar je met wiskundige precisie een eenduidige uitkomst kon bepalen. Intuïtief beschouwde ik economie meer als een gedragswetenschap met vele scenario’s. Pas veel later ontdekte ik  dat er in het vakgebied van de economie ook vele stromingen bestaan. Op de Technische Hogeschool en voor de betreffende vakgroep was dat bewustzijn er kennelijk niet. Gelukkig heb ik uiteindelijk toch alle economietoetsen kunnen halen en mijn ingenieursdiploma behaald, al had ik wel een weerzin opgebouwd tegenover het vak.   
Dankzij de begripsvolle benadering van Kim Lapré en ook de cursus macro- economie van Rudolf Steiner is het vak voor mij steeds belangrijker geworden. Steiners’ maatschappijvisie en zeker zijn kijk op de economie, zijn voor mij van grote waarde geworden. Na ruim twee decennia durfde ik zelfs om over de sociale driegeleding een boekje te schrijven  met als titel Trias politica ethica en weer 10 jaar later een tweede boek Solidaire Economie.  

Destijds gebruikten we de Nederlandse versie, uitgegeven als klapper met ringband, van Hesperia uit Rotterdam van 1986. Iedere bladzijde was opgemaakt met twee kolommen, waarbij links de oorspronkelijke Duitse tekst stond en rechts de vertaling. De cursus Wereldeconomie zoals de Nederlandse bundel is gaan heten, bestaat uit 14 voordrachten gegeven door Rudolf Steiner van 24 juli tot 6 augustus 1922 aan een klein groepje economiestudenten in Dornach (Zwitserland).  Verder bevat de bundel ook een uitgebreide bijlage met vragen beantwoordingen. De oorspronkelijke titel van Steiner was Nationalökonomischer Kurs dat je eerder zou vertalen met macro-economie of nationaal-economie. Feitelijk kun je wel stellen dat er sinds de 20e eeuw sprake is van wereldomvattende economische processen.  We halen grond- en hulpstoffen overal vandaan en verwerken ze op allerlei plaatsen en verkopen de eindproducten dan weer over de hele wereld. Geld- , goederen- en handelsstromen zijn wereldomspannend en inderdaad mondiaal. De term wereldeconomie is daarom passend voor onze tijd en Rudolf Steiner wilde daar extra de aandacht op vestigen.   Later had Steiner nog een uitgebreidere cursus willen geven aan “practici uit het economie” waarbij je kunt denken aan ondernemers, handelaren en producenten. Helaas is dat niet meer gelukt door zijn vroege overlijden in 1925 op 64 jarige leeftijd.    

Wat mij persoonlijk ook zeer aansprak in zijn benadering waren de verschillende kringlopen die hij beschreef tussen kapitaal, natuur & arbeid, maar ook tussen geest, arbeid & natuur. Het was organisch, bijna vergelijkbaar met de bloedsomloop in het menselijk lichaam.  
Verder vond ik het vooral interessant omdat hij de economie niet als afzonderlijk vakgebied beschreef, maar juist in samenhang plaatste met de andere maatschappelijke gebieden van het rechtsleven en het geestesleven.  Deze visie heet sociale of maatschappelijke driegeleding. Rudolf Steiner heeft ook aangegeven dat het idee van de driegeleding van de maatschappij ook afgeleid was van de driegeleding van het lichaam.  Deze verbinding van economie met politiek, geesteswetenschap en maatschappijleer is te danken aan Rudolf Steiner. Op een zelfde manier verbond hij economie met bedrijfskunde. Zijn visie op samenwerking in de economie in plaats van concurrentie, van overleg tussen alle economische partijen in plaats van strijd en zijn vorm van associatieve economie is uniek en verhelderend.

Een inbedding van de economie in het geheel van de samenleving is bijzonder belangrijk. Als het evenwicht namelijk verstoord is, heeft dat zeer ongewenste gevolgen. Je zou kunnen zeggen dat wij nu in de 21e eeuw te maken hebben met een overheersing van de economie  over de politiek, het rechtsleven en het overige sociaal maatschappelijke leven. Bij die laatste categorie horen kunst, wetenschap, onderwijs en cultuur.  

Het medio 2017 verschenen tweede boek

Binnen de economische wetenschap is Steiners’ economie een middenweg tussen kapitalisme en communisme. Geen persoonlijk eigendom van de productiefactoren grond en  productiemiddelen (kapitalisme), maar ook geen overheidseigendom zoals bij het communisme. Bedrijven en productiemiddelen zijn van de samenleving, van ons allemaal of anders gezegd zijn “publiek bezit” en niet verhandelbaar. Daarom moet het eigendom van deze economische goederen onteigend of geneutraliseerd worden, bijvoorbeeld via  stichtingen of verenigingen. Enig logisch nadenken en het is volkomen helder dat de voortbrengselen van wetenschap en economie nooit kunnen toebehoren aan personen maar juist van de hele gemeenschap zijn. In de moderne economie is het belangrijkste kenmerk juist dat niemand voor zichzelf werkt, maar per definitie voor een ander. De voor-  middeleeuwse  tijd van zelfverzorging van een klein boertje, die alles zelf maakt en zelf samen met zijn gezin ook verbruikt is definitief en endgültig  voorbij.

Dat Steiner de solidaritieit als belangrijkste principe voor de economie ziet is kristalhelder. In de economie gaat het om het bevredigen van de menselijke behoeften, daarom werken we voor de ander, produceren we goederen en diensten voor de ander dichtbij of ver weg.            We delen de gezamenlijke opbrengsten van de planeet, via economische processen  en dat moet rechtvaardig verdeeld worden en dat noemen we dus solidair.  
boekomslag
De nieuwe uitgave van dit werk van R.Steiner, onder de titel: “Economie. De wereld als één economie”,  bij uitgeverij Nearchus in een gebonden boekwerk  maakt het weer voor vele mensen mogelijk om zich opnieuw te laten inspireren, nadat het jaren niet meer in een Nederlandse vertaling verkrijgbaar was.   

     Op 30 maart 2025 verschijnt er ook op You Tube een video in de serie LuMens waarin een interview wordt weergegeven met Hans Stolp ter ere van de 100e sterfdag van Rudolf Steiner.  Het geeft een mooi beeld van zijn leven en betekenis voor de wereld.Vooral ook zijn voorspellingen voor de huidige tijd zijn indrukwekkend.
  

zondag 28 februari 2016

Solidaire Economie: een boekbespreking

Onderstaand artikel is ook verschenen als opiniestuk in het Eindhovens Dagblad  op dinsdag 15 maart 2016  


Prof. Dr. Nic(o) Douben heeft als emeritus hoogleraar van de Technische Universiteit in Eindhoven eind augustus 2013 in het Eindhovens Dagblad een column geschreven , onder de titel “Heilig geloof in de markt”, waarin hij kritiek uit op het huidige kapitalistische economische systeem. Dit systeem heeft volgens hem vele nadelen voor milieu en samenleving.   Daarin heeft Douben uiteraard gelijk, al geeft hij in het betreffende artikel geen zinvol alternatief.  Als reactie op zijn visie heb ik een ingestuurde reactie opgesteld die ook op 4 september 2013 is geplaatst in het Eindhovens Dagblad. Zie ook   http://www.ed.nl/mening/solidaire-economie-als-wenkend-alternatief-1.3987593 . Dat stuk had als titel “Solidaire Economie als wenkend alternatief”. Daarin probeer ik juist wel alternatieve visie’s  te beschrijven zoals van Albert Einstein, Ricardo Semler en Rudolf Steiner.
Kennelijk heb ik Douben daarmee wat inspiratie gegeven, want nu bijna drie jaar later is tot mijn grote verrassing een boekje van hem verschenen onder de titel “Solidaire Economie”. In het ED van 11 december 2015 heeft redacteur Chris Paulussen er een bespreking van gegeven. 
Douben is eerlijk en refereert in zijn voorwoord ook naar zijn eerdere artikel en de reacties die het opleverde. Voor mij was het echter niet alleen een positieve verrassing, omdat ik al vanaf  eind 2009 een e-book op internet heb geplaatst met dezelfde titel. http://solidaireeconomieboek.blogspot.nl/2009/12/eerste-delen-van-nieuw-boek.html  . Dit boek zal in 2016 ook verschijnen in een papieren versie, zo heb ik van de uitgever begrepen. Nu zal ik echter moeten zoeken naar een andere titel om misverstanden te voorkomen .  

N.Douben(foto: www.ag-eindhoven.nl) 

Uiteraard ben ik heel nieuwsgierig geworden of Douben zich door dezelfde bronnen/auteurs  laat inspireren en welke uitleg en betekenis hij geeft aan het begrip solidaire economie. Voor mij is het begrip een rechtstreekse verwijzing naar de maatschappijvisie en economische visie van Rudolf Steiner. Steiner beschreef dat het begrip solidariteit,  of het wat meer ouderwetse begrip broederschap dat we kennen als een van de drie waarden uit de Franse revolutie (Liberté, Egalité en Fraternité), leidend moet zijn in de economie.     De economie is dat door mensen ontwikkelde maatschappelijke systeem, dat de mensheid moet voorzien in alle behoeften naar producten en levensmiddelen. Iedereen heeft recht op de voortbrengselen van de natuur en de aarde, zonder het milieu of toekomstige generaties te schaden.  In de economie produceer je niet voor jezelf maar voor anderen, voor de mensheid. In de bibliografie achterin het boekje van Douben kom je echter de naam van Rudolf Steiner niet tegen, net zo min als Ricardo Semler.
De kernboodschap van Douben is:  In de strategie van ondernemingen dienen ook de ecologische en sociale effecten van het huidige economisch handelen meegenomen te worden voor de toekomstige generaties en alle regio’s elders in de wereld”. Dit klinkt niet zo revolutionair als een communistisch of socialistisch alternatief, maar eerder als een vorm van maatschappelijk verantwoord ondernemen(MVO). Dat vereist ook een ongekende transparantie stelt Douben en geen slimme marketing. Zijn voorwoord eindigt met de zinsnede: ”…een welgemeend streven naar een meer duurzame en betere wereld voor iedereen”. Dat is het ideaal en “dat vraagt ook om een meer bewuste burger en consument”. “We moeten het kapitalisme herijken tot een maatschappelijk- economisch stelsel dat gebaseerd is op een meer solidaire grondslag”. Douben streeft dus niet naar afschaffing van de markteconomie, maar naar een verbetering van de werking door meer overheidsbemoeienis en het terugdraaien van privatisering in een aantal kernsectoren.
Opvallend is dat Douben niet bekend is met het platform Duurzame en Solidaire Economie (DSE) dat al jaren vanuit de Universiteit van Tilburg o.l.v. Lou Keune aan de weg timmert om dit begrip bij grote groepen mensen en de politiek duidelijk te maken.  

Volgens Douben is het ook een lange weg om een meer solidaire economie te realiseren. Het ideaal is duidelijk en inderdaad zeer wenselijk maar ook een vorm van  wishful thinking. We willen allemaal toch een vreedzame, rechtvaardige wereld en een eerlijke economie. Bij mij rijst echter de vraag:  hoe je dat wilt bereiken? Welke vorm pas daarbij, welke structuren en procedures?                                                           Een klein begin is misschien hoofdstuk 7 dat als titel heeft “Naar meer systeem innovatieve ketens”. Daar beschrijft hij de coöperatievorm waarbij leden-ondernemers  hun marktkrachten bundelen. Zo ontstaat een samenwerking op langere termijn.  Daarna noemt hij de vele nieuwe  energiecoöperaties als voorlopers van ketens, die systeem doorbrekend kunnen zijn.   Hij gaat echter niet zover als de associatievorm, die Rudolf Steiner voorstelt en waar juist de drie belangrijkste economische partijen namelijk producenten, consumenten en handelaren samen economische besluiten nemen . Een deeluitwerking daarvan vind je in Parecon-visie van de onderzoekers Albert en Hahnel . zie ook    http://solidaire-economie.blogspot.nl/2015/05/parecon-is-het-alternatief-voor.html
Het eigendomsvraagstuk laat Douben ook geheel buiten beschouwing. Vinden we het rechtvaardig en economisch zinvol dat bedrijfsmiddelen (alle productiefactoren) in privéhanden liggen. Kan een enkeling zich zomaar de verworvenheden van hele generaties en uitvindingen van velen zomaar toe-eigenen? Is dat niet eigendom van de gemeenschap (dus niet overheid)?
Is het economisch zinvol dat landbouwgrond, ertsmijnen  en ook hele bedrijven verhandeld kunnen worden?  We weten dat monopolisten en oligopolisten de marktwerking verstoren en consumenten benadelen. Zo kunnen ook bedrijfseigenaren de belangen van werknemers en consumenten schaden.                  Al met al een lezenswaardig boekje maar ik beschouw het meer als een eerste aanzet tot een meer solidaire economie.

Zie ook http://www.ed.nl/mening/opinie-aanzet-tot-solidaire-economie-1.5825036

maandag 11 mei 2015

Parecon is het alternatief voor kapitalisme & communisme.

Onderstaand artikel is ook gepubliceerd in het tijdschrift Driegonaal, jaargang 33, nummer 5/6, augustus 2015



Parecon is een vorm van associatieve en decentrale overlegeconomie.
Er zijn misschien nog niet veel economen die bekend zijn met de term parecon. Het woord is van oorsprong een Engels begrip en een samentrekking van participatory economy. Het is de verzamelnaam voor een nieuwe economische visie die bedacht en uitgewerkt is door de Amerikaanse onderzoekers Michael Albert en Robin Hahnel. Hahnel is een hoogleraar economie aan de American University in Washington D.C.  en Albert is een natuurkundige. Beide heren hebben een indrukwekkende serie van gemeenschappelijke publicaties op hun naam staan vanaf 1979 tot begin jaren 90 van de vorige eeuw. Daarna zijn ze afzonderlijk verder gegaan, maar zijn wel het onderwerp van een participatieve of solidaire economie trouw gebleven.  


foto: youtube.com
Via een omweg ben ik toevallig op deze heren gestuit. In een recent NRC-artikel over de zeer succesvolle, jonge ondernemer en pionier Elon Musk las ik dat de mede ondernemers bij Pay Pal waar Musk het grote geld verdiende, aanhangers waren van de libertarische beginselen. Daarmee wordt een stroming bedoeld binnen het socialisme . Het libertaire socialisme streeft een kleine overheid na en plaatst zich daarmee tegenover het communisme en marxisme waar de productiemiddelen in handen moeten zijn van de staat en de economie centraal gepland en geleid  (en machtig) wordt. Het libertarische socialisme is anderzijds ook weer verschillend van libertariërs die tegen een overheid zijn, maar wel het particuliere eigendom van productiemiddelen erkennen. 
Libertarische socialisten zijn altijd tegen particulier of privé eigendom van productiemiddel alsook tegen iedere vorm van staatseigendom (van productiemiddelen). Eigendom van produktiemiddelen is diefstal volgens hen en moet dus afgeschaft worden. Zij zien meer in het recht van mensen (met ondernemerstalent) om algemene goederen en produktiemiddelen te gebruiken, maar nooit te bezitten. Daarmee zetten ze zich sterk af tegen het liberale kapitalisme  waar particuliere handel in en eigendom van produktiemiddelen juist uitgangpunt is.    


Michael Albert (foto: nl.wikipedia.org)

 Daarnaast wijzen libertarisch socialisten ook iedere bemoeienis of inmenging van de overheid op het persoonlijke leven van burgers af. Burgers moeten een zo groot mogelijke persoonlijke vrijheid hebben en dat getuigt weer van een duidelijke afkeer van het communisme.  Pleitbezorgers van het libertarische socialisme zijn Noam Chomsky, Oscar Wilde, Pierre-Joseph Proudhon. Ook Rudolf Steiner zou je in dit rijtje kunnen zetten.   
Rudolf Steiner ontwikkelde aan het begin van de twintigste eeuw een maatschappijvisie die het midden hield tussen kapitalisme en communisme. De Sociale of Maatschappelijke Driegeleding, zoals dit genoemd wordt, streeft naar drie min of meer zelfstandig functionerende maatschappijgeledingen van Geestesleven, Rechtsleven en Economisch leven. De drie kernwaarden van vrijheid, gelijkheid en solidariteit horen in deze respectievelijke gebieden centraal te staan
Voor de economie  zag Steiner een vorm weggelegd die hij een associatieve economie noemde. Centrale entiteiten zijn associaties waarin consumenten, handelaren én producenten vertegenwoordigd zijn op verschillende niveaus en voor verschillende sectoren. In deze overlegfora worden samen besluiten genomen over productiehoeveelheden, productkwaliteiten en prijzen van goederen en diensten. Dus niet individueel door bedrijven die een monopoliepositie kunnen innemen en de markt domineren, maar ook niet door de overheid (staatsmonopolie).

Dit idee is ook de kerngedachte achter Parecon waar door middel van consumenten- en werknemersraden op verschillende geografische niveaus (lokaal, regionaal, nationaal en internationaal) een sectoraal overleg wordt gevoerd over productieaantallen en prijzen. Binnen bedrijven is ook sprake van arbeiderszelfbestuur, waarbij autoriteiten gekozen kunnen worden maar ook afgezet. 
 
Bij de verdeling van het werk moeten er evenwichtige takenpakketten (balanced job complexes) gevormd worden waarbij zinvol werk ook soms tijdelijk afgewisseld  wordt met vervelend, zwaar of saai werk zodat mensen nooit eenzijdig geestdodend of uitputtend werk hoeven te doen. Bijkomend voordeel is dat iedereen zich zo ook via het werk kan ontwikkelen.
 
Een ander interessant punt binnen Parecon is het beloningsprincipe. De bedenkers Hahnel en Albert vinden het onrechtvaardig als hoogopgeleiden meer verdienen dan laagopgeleiden. Intelligentie is een genetische factor en per definitie ongelijk verdeeld over de mensen. Men vindt ook dat het loon niet de uitkomst mag zijn van vraag en aanbod. Dus hoogste salaris voor meest zeldzame talent is net zo onrechtvaardig. Beloning moet plaatsvinden op basis van door het individu te beïnvloeden factoren als inzet, opoffering en behoefte (voor zij die niet kunnen werken). Beloningsverschillen mogen ook niet ontstaan doordat in sommige bedrijven of bedrijfstakken meer omzet en meer winst wordt gemaakt dan in andere sectoren.  Een chirurg verdient niet automatisch meer dan een fietsenmaker omdat het om mensenlevens gaat.  Bij gelijke inzet, opoffering  en zwaarte zou de beloning vergelijkbaar moeten zijn. Uiteindelijk moeten arbeidersraden de beloningsverschillen goedkeuren.

In de kern is Parecon een decentraal economische planningssysteem dat in eerste instantie misschien zeer tijdrovend, omslachtig en complex is omdat het over vele schijven gaat, maar uiteindelijk veel effectiever en efficiënter zou kunnen blijken te zijn dan het kapitalistische systeem. Het grote voordeel is dat de grootste (maar zwakste) partij, namelijk de consumenten en werknemers, volwaardig meebeslissen in het economische proces ten opzichte van producenten en handelaren. Dat geldt ook voor de arbeiders binnen bedrijven waardoor niet alleen de ondernemers zelfstandig kunnen besluiten. Het huidige liberale , vrije markt kapitalistische systeem is zeer ineffectief en inefficiënt . Dit vanwege de vele kosten van milieuvervuiling, uitputting grondstoffen en vermindering van biodiversiteit die afgewenteld worden op de samenleving en zo toekomstige generaties de rekening laat betalen. Hoeveel landbouwgoederen worden vernietigd? Hoeveel fabrieksgebouwen staan leeg? Hoeveel mensen zijn werkeloos? Hoe groot is de afvalberg van overbodige en afgedankte producten? Een decentraal planningssysteem kan die onevenwichtigheden aanpakken. 
Dus: Geen concurrentie tussen economische partijen, maar juist intensieve samenwerking is de oplossing.    



Relevante literatuur:

Robin Hahnel & Michael Albert: Socialism Today and Tomorrow (Cambridge , MA 1981)
Robin Hahnel & Michael Albert: Liberating theory (Cambridge, MA 1986)
Robin Hahnel & Michael Albert: The political theory of Participatory Economics (Princeton NJ, 1991)
Robin Hahnel : Economic Justice and Democracy: from Competition to Cooperation (New York, 2005)


                               

donderdag 12 maart 2015

Is CPB wetenschappelijk en onafhankelijk ?

Onderstaand artikel is ook verschenen als ingezonden opiniestuk in het Eindhovens Dagblad op 31 maart 2015.

Centraal Planbureau kritisch over effecten Basisinkomen.

Medio februari heeft het Centraal Planbureau een rapport gepubliceerd met de titel: ”Maatwerk loont | Moeders prikkelbaar”. Hoewel deze titel iets heel anders zou kunnen suggereren gaat het feitelijk over “de effectiviteit van fiscaal participatiebeleid”.   


Eerder dit jaar is afgesproken dat de huidige Staatssecretaris van Financiën Wiebes, die verantwoordelijk is voor belastingen, met plannen zal komen voor een belastinghervorming. Na jaren van bezuinigingen zou de regering wel iets willen gaan doen aan de hoogte van de inkomstenbelasting.

Het CPB is geen onafhankelijk onderzoeksinstituut, maar een onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken en zij geeft adviezen en oordelen over voorgenomen beleidsmaatregelen. Het woordje Centraal is hierin enigszins misleidend want net als bij het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS) of Centrale Bank zou je meteen denken aan een onafhankelijk instituut.  Er werken zo'n 150 mensen, veelal onderzoekers.              Het CPB heeft dus nu het voortouw genomen en voordat er al concrete plannen of voorstellen bekend zijn gemaakt, hebben zij al doorgerekend wat de economische effecten van verschillende vormen van fiscaal beleid zou kunnen zijn.  Een prima zaak zou je zeggen, àls het wetenschappelijk verantwoord is.

Het CPB is opgericht in 1945 en Jan Tinbergen en hij was de eerste directeur van dit instituut gedurende 10 jaar. Hij is tot nu toe de enige Nederlander geweest die de Nobelprijs voor de economie heeft gekregen voor zijn wetenschappelijke werk op het gebied van de econometrie. Dat is een meer wiskundige en statistische benadering van de economie waarbij ingewikkelde formules met vele variabelen inzicht moeten geven in economische ontwikkelingen zoals de werkgelegenheid, koopkracht en vooral de economische groei.

Het is de laatste jaren bijna een gewoonte geworden dat de verschillende politieke partijen hun partijprogramma’s laten doorrekenen bij de jaarlijkse algemene beschouwingen in de Tweede Kamer.  Dat geeft de plannen een objectieve beoordeling en soort keurmerk als het gaat om economische effecten. De staatshuishouding, de groei van de economie, de werkgelegenheid en inkomens zijn per slot van rekening de heilige koeien van ieder kabinet.    


Al sinds het ontstaan van financiële en economische crisis in  2008 hebben verschillende partijen erop gewezen dat de economische wetenschap nog steeds een slechte voorspeller is. Op een enkele uitzondering na heeft niemand deze crisis voorspeld. Dat zou moeten leiden tot enige bescheidenheid.
De economie is nu eenmaal een multidisciplinaire gedragswetenschap en dus geen zuivere, rationele natuurwetenschap. Dat betekent dat er bijna nooit één oorzaak is aan te wijzen voor een bepaald verschijnsel en dat te generaliseren causaliteiten moeilijk zijn te vinden. Bij de economische academische wetenschap zie je daarom momenteel nieuwe richtingen ontstaan, die meer aandacht besteden aan minder rationale benaderingen en meer ingaan op gedragseconomie.                                                                                 Daarnaast is er de opkomst van grootschalige economische veldexperimenten van bijvoorbeeld de Franse professor Esther Duflo en zoals beschreven in het boek “Alles is economie” van de economen Gneezy & List. Het empirische , in de reële werkelijkheid uitgevoerde, onderzoek krijgt steeds meer de overhand boven de meer theoretische, wiskundige modellen. Dat leidt soms ook tot verrassende nieuwe inzichten, die het CPB kennelijk nog niet heeft verwerkt in haar modellen.

Dat het CPB niet altijd even wetenschappelijk en onafhankelijk is geweest, zoals ze op hun website pretenderen, bleek rondom de invoering van de Euro. Het CPB heeft altijd beweerd dat de effecten voor de burger en de economie heel positief zijn geweest. Uit hun onderzoek zou gebleken zijn dat de Euro iedere Nederlander het voordeel van een gemiddeld weeksalaris zou hebben opgeleverd. Voormalig directeur CPB Coen Teulings heeft in mei 2014 in de Telegraaf toegegeven dat de positieve voordelen van de Euro bewust door het CPB zijn overdreven !  Een ernstige smet op het blazoen van het CPB.

In het eerdere genoemde rapport beweert het CPB dat “generieke belastingverlichting relatief weinig doet voor de arbeidsparticipatie….. Daarentegen heeft het beperken van inkomensondersteuning voor huishoudens met een laag inkomen wel veel effect op de arbeidsparticipatie… en het invoeren van een (onvoorwaardelijk) basisinkomen heeft economisch gezien veel nadelen en zal de arbeidsparticipatie terugbrengen “.  Het CPB stelt ook dat zij geen voorstander zijn van een vlaktaks, dat is een algemeen tarief of minder belastingschijven. Die maatregel levert namelijk  ook economische nadelen op.

Het is echter meer dan alleen symbolisch, dat het CPB op het voorblad een foto heeft geplaatst waarop een menselijke hand zichtbaar is, die een stok vasthoudt waaraan een bos wortels bungelt. Indachtig de Engelse uitdrukking “Stick or Carrots” verwijst dit naar de altijd terugkerende beleidskeuze van bestraffen of belonen. Kennelijk is het CPB nog steeds gecharmeerd van de operante conditionerings-theorie. Helaas zijn mensen maar ten dele extrinsiek gemotiveerd.
Erger is het feit dat het CPB hiermee een wetenschappelijk verantwoord advies of oordeel lijkt te geven aan regering en parlement dat echter in werkelijkheid niet deugt. Verlaging van bijstandsuitkeringen dwingt mensen weliswaar om eerder te gaan werken maar creëert  misschien een grotere groep werkende armen. Kleinere inkomensverschillen lijken in eerste instantie weinig directe economische voordelen op te leveren, maar wel een heleboel maatschappelijke.                                                                                                  Moeders met jonge kinderen financieel prikkelen om de opvoeding van hun kinderen uit te besteden aan professionals (kinderopvang) en daardoor zelf betaald werk kunnen gaan uitvoeren lijkt economisch gezien wenselijk voor de participatiegraad, maar is maatschappelijk gezien mogelijk zeer onwenselijk. De essentiële opvoeding uitbesteden is maatschappelijk gezien mogelijk onverantwoord. Eventueel ontspoorde , niet goed opgevoede,  kinderen brengen namelijk grote maatschappelijke kosten met zich mee.  

Zo zijn er meerdere onafhankelijke praktijkexperimenten geweest met de invoering van een basisinkomen waaruit blijkt dat de arbeidsparticipatie er niet onder lijdt. Mensen werken niet alleen voor het verwerven van een inkomen, maar juist om zich te ontwikkelen tot volwaardig mens en ook een bijdrage te leveren aan de maatschappij. Het drie jaar durende experiment Mincome in Canada in de provincie Manitoba heeft dat overtuigend aangetoond. Behalve het genoemde economische effect bleken daarnaast (nog veel verrassender) een aantal maatschappelijke effecten zoals :     
- een duidelijke vermindering van het aantal ziekenhuisbezoeken,  
- een vermindering van de criminaliteit,
- een verlaging van het aantal tienerzwangerschappen en
- een afname in schooluitval en een verhoging van de slaagpercentages.
Britse Onderzoekers Wilkinson & Pickett (foto: jamaicaplainforum.org)



Dezelfde optredende effecten hebben Wilkinson & Pickett gerapporteerd in hun boek “The Spirit Level” dat gaat over de effecten van een grote inkomensongelijkheid.  Maatschappelijk gezien is een beperkte inkomensongelijkheid zeer wenselijk. Daarmee wordt opnieuw wetenschappelijk bewezen dat Jan Tinbergen al in 1970 gelijk had met zijn voorstellen voor een beperkte inkomensongelijkheid binnen bedrijven én de samenleving. De zogenaamde Tinbergennorm is hieruit afgeleid en recent probeert ook de Canadese organisatie het internationale keurmerk Wagemark te promoten. Daarin wordt geprobeerd paal en perk te stellen aan inkomensverschillen in bedrijven (minder dan factor 8).

Het CPB moet zich weer meer wetenschappelijk scholen en minder rapporten publiceren en  onderzoek uitvoeren die politiek gevoelig liggen  en eenzijdig economisch gemotiveerd zijn.

Een ander recent voorbeeld waar het CPB weer een uitgesproken standpunt heeft verkondigd dat bij nader inzien misschien helemaal niet zo wetenschappelijk verantwoord is ging over verhoging van het minimumloon.

Bij een hoorzitting in de Tweede Kamer in oktober 2015 beweerde CPB-econoom van Vuuren dat een verhoging van het minimum(jeugd)loon tot meer (jeugd-)werkloosheid kan leiden en dat de politiek dus voorzichtig moet zijn. Het CPB zegt zich daarbij alleen te baseren op gedegen wetenschappelijk onderzoek.

Correspondent-columnist Jesse Frederik betoogt in een internetartikel op 19 oktober 2015 dat deze correlatie helemaal niet zo sterk en significant is. Hij baseert zich daarbij op uitgebreide meta-analyses in de VS en Groot-Brittannië naar dit verband. Het merendeel concludeert dat er geen verband is of een hele kleine samenhang. Het CPB heeft haar huiswerk kennelijk zelf niet goed gedaan, maar beïnvloedt wel heel sterk de publieke en politieke opinie !     Lees het hele verhaal:

   https://decorrespondent.nl/3508/Kan-deze-theorie-over-het-jeugdloon-eindelijk-de-prullenbak-in-/487681047964-7b7a2358



Begin januari 2016 verschijnt een twee bladzijde groot artikel in de Volkskrant van Mirjam de Rijk. waarin zij stelt dat het CPB een ongezond grote (politieke) invloed  heeft. Hun rekenmeesters gaan van onrealistische veronderstellingen uit en krijgen te weinig weerstand. Een duidelijk verhaal. 
Mirjam de rijk is eerste Kamerlid van Groen Links, wethouder in Utrecht en was directeur van Stichting Natuur & Milieu. Van haar haar verscheen ook het boek: "51 mythen over wat goed zou zijn over de economie"(uitgever Nieuw Amsterdam) . Hopelijk wordt het CPB hierdoor eens wakker en gaan ze een meer wetenschappelijke houding aannemen, dan alleen maar spreekbuis te zijn van het ministerie van Economische Zaken.  


Update.

Eind november 2018 verschijnt er weer een spraakmakend rapport over de oorzaken van de beperkte loonontwikkeling in Nederland, waar weer een rood etiket op had moeten staan: NIET ONAFHANKELIJK
Het CPB vond alleen een verklaring voor loonontwikkeling bij een hogere arbeidsproductiviteit  en ook een loonontwikkeling bij een hogere inflatie. Dat past wel in het straatje van het ministerie van Economische Zaken en de  Captains of Industry. Expliciet wordt in het rapport vermeldt dat de zwakke onderhandelingspositie van zzp'ers, de toename van flexwerkers en de verschuiving naar lage loonlanden hier geen debet aan zijn. Stel je voor, want dan zou het lijken alsof werkgevers hier kennelijk een groot aandeel in hebben!
Macro-economische modellen hebben echter weinig voorspellende waarde zoals al meermaals is gebleken. Daarnaast is juist loonontwikkeling vooral het resultaat van collectieve onderhandelingen en afspraken tussen werkgevers en werknemers. Verder ook de invloed van de overheid, die als wetgever  rechtstreeks verantwoordelijk is voor een verhoging van uitkeringen, minimumlonen of minimum-uurtarieven en daarnaast eventuele wijzigingen in de sociale- en werkgeverspremies en het  belastingregime. Dat zijn dus exogene krachten die een veel grotere invloed hebben dan de strikt macro-economische wetmatigheden.  Daarom is het CPB bijna misleidend door deze resultaten te blijven publiceren, zonder door de werkelijk onafhankelijke en bredere wetenschappelijke gremia fel te worden bekritiseerd.